Home
/
Engels
🇳🇱
Leer Engels: de complete cursus van 365 woorden
Eén druppel per dag, op volgorde, elk woord met een echte voorbeeldzin. Dit is de volledige woordenlijst die LingoDrop aanleert, op dezelfde manier ingedeeld als in de app.
Ga naar een hoofdstuk
1 De basis 15
hello hallo
hi hoi (informeel)
goodbye tot ziens
bye doei
please alsjeblieft
thank you dank je wel
thanks bedankt (informeel)
yes ja
no nee
sorry sorry
excuse me pardon
good morning goedemorgen
good night welterusten
welcome welkom
okay oké / goed
2 Getallen 11
one één
two twee
three drie
four vier
five vijf
six zes
seven zeven
eight acht
nine negen
ten tien
hundred honderd
3 Kleuren 6
color de kleur
red rood
blue blauw
green groen
black zwart
white wit
4 Bouwstenen 18
a een
an een (voor klinker)
the de / het
and en
or of
but maar
of van
in in
on op
at op / bij
to naar
for voor
with met
from uit (herkomst)
this dit / deze
that dat / die
not niet
very heel / erg
5 Voornaamwoorden 14
I ik
you jij / u
he hij
she zij (enkelvoud)
it het
we wij
they zij (meervoud)
me mij
him hem
her haar
us ons
them hen / ze
my mijn
your jouw / uw
6 Kernwerkwoorden I 9
to be zijn
am ben
is is
are zijn (meervoud)
to have hebben
to do doen
to go gaan
to come komen
to want willen
7 Kernwerkwoorden II 12
to need nodig hebben
to like leuk vinden
to know weten / kennen
to think denken
to say zeggen
to see zien
to make maken
to take nemen / pakken
to give geven
to get krijgen / halen
to look kijken
to find vinden
8 Dagelijkse werkwoorden I 11
to eat eten
to drink drinken
to sleep slapen
to work werken
to live wonen / leven
to speak spreken
to talk praten
to read lezen
to write schrijven
to listen luisteren
to walk lopen / wandelen
9 Dagelijkse werkwoorden II 12
to run rennen
to buy kopen
to pay betalen
to open openen / opendoen
to close sluiten / dichtdoen
to start beginnen
to stop stoppen
to help helpen
to use gebruiken
to call bellen / noemen
to ask vragen
to answer antwoorden
10 Meer werkwoorden 6
to put zetten / leggen
to bring meenemen / brengen
to leave vertrekken / achterlaten
to wait wachten
to try proberen
to learn leren
11 Dingen beschrijven I 12
good goed
bad slecht
big groot
small klein
new nieuw
old oud
hot heet / warm
cold koud
long lang
short kort
easy makkelijk
hard moeilijk / hard
12 Dingen beschrijven II 14
happy blij / gelukkig
sad verdrietig
tired moe
hungry hongerig
beautiful mooi
nice aardig / leuk
young jong
fast snel
slow langzaam
early vroeg
late laat
busy druk
free vrij / gratis
ready klaar
13 Dingen beschrijven III 16
right juist / rechts
wrong verkeerd / fout
true waar
sure zeker
important belangrijk
different anders / verschillend
same zelfde
full vol
clean schoon
strong sterk
rich rijk
poor arm
safe veilig
open open
closed gesloten / dicht
possible mogelijk
14 Hoeveelheid en manier 6
more meer
less minder
many veel (aantal)
much veel (hoeveelheid)
few weinig / een paar
all alle / alles
15 Tijd en plaats 21
now nu
today vandaag
tomorrow morgen
yesterday gisteren
here hier
there daar
always altijd
never nooit
sometimes soms
often vaak
soon binnenkort
again weer / opnieuw
still nog steeds
already al
before voor / voordat
after na
near dichtbij
far ver
up omhoog
down omlaag / naar beneden
under onder
16 Vraagwoorden 6
what wat
who wie
where waar (plaats)
when wanneer
why waarom
how hoe
17 Voegwoorden en onbepaalde woorden 17
because omdat
if als
so dus
also ook
only alleen / maar
too te / ook
about over
maybe misschien
something iets
nothing niets
everything alles
someone iemand
anyone iemand (in vragen)
everyone iedereen
other ander
another nog een
both beide
18 Tijdwoorden 9
time tijd
day dag
night nacht
morning ochtend
week week
month maand
year jaar
hour uur
minute minuut
19 Mensen en familie 18
person persoon
people mensen
man man
woman vrouw
child kind
children kinderen
boy jongen
girl meisje
family familie / gezin
mother moeder
father vader
son zoon
daughter dochter
brother broer
sister zus
friend vriend
name naam
baby baby
20 Leven en samenleving 9
work werk
job baan
money geld
school school
student student / leerling
teacher leraar
doctor dokter
company bedrijf
country land
21 Eten en drinken 4
food eten / voedsel
water water
coffee koffie
bread brood
22 Onderweg 4
car auto
bus bus
train trein
ticket kaartje
23 Thuis en in de stad 12
house huis
home thuis
room kamer
door deur
window raam
table tafel
bed bed
kitchen keuken
city stad
street straat
shop winkel
hotel hotel
24 Natuur en weer 6
weather weer
rain regen
sun zon
wind wind
sea zee
tree boom
25 Het lichaam 3
head hoofd
hand hand
eye oog
26 Abstracte begrippen 12
thing ding
way manier / weg
life leven
world wereld
problem probleem
idea idee
reason reden
question vraag
word woord
place plek / plaats
part deel
end einde
27 Vrije tijd en seizoenen 7
music muziek
song liedje
book boek
game spel / wedstrijd
vacation vakantie
summer zomer
winter winter
28 Dieren 2
dog hond
cat kat
29 Kleding en voorwerpen 8
clothes kleren
shoes schoenen
bag tas
phone telefoon
key sleutel
paper papier
light licht
watch horloge
30 Emoties, werk en reizen 10
love liefde / houden van
fear angst
hope hoop
help hulp
meeting vergadering
office kantoor
email e-mail
trip reis
airport luchthaven
passport paspoort
31 Meer werkwoorden II 19
to feel voelen
to hear horen
to meet ontmoeten
to send sturen
to show laten zien
to change veranderen
to remember herinneren
to forget vergeten
to understand begrijpen
to believe geloven
to hope hopen
to stay blijven
to become worden
to keep houden / bewaren
to lose verliezen
to win winnen
to build bouwen
to break breken
to drive rijden
32 Werkwoorden met partikel 16
to get up opstaan
to wake up wakker worden
to sit down gaan zitten
to stand up opstaan (rechtop)
to turn on aanzetten / aandoen
to turn off uitzetten / uitdoen
to put on aantrekken
to take off uittrekken / opstijgen
to come back terugkomen
to go out uitgaan
to give up opgeven
to look for zoeken
to look after zorgen voor
to find out erachter komen
to pick up ophalen / oppakken
to grow up opgroeien
33 Onregelmatige verleden tijd 20
was was (verleden van 'is')
were waren (verleden van 'are')
had had (verleden van 'have')
did deed (verleden van 'do')
went ging (verleden van 'go')
came kwam (verleden van 'come')
saw zag (verleden van 'see')
said zei (verleden van 'say')
made maakte (verleden van 'make')
took nam (verleden van 'take')
got kreeg (verleden van 'get')
gave gaf (verleden van 'give')
knew wist (verleden van 'know')
thought dacht (verleden van 'think')
found vond (verleden van 'find')
told vertelde (verleden van 'tell')
felt voelde (verleden van 'feel')
left vertrok (verleden van 'leave')
put legde (verleden van 'put')
read las (verleden van 'read')
Download LingoDrop gratis
Leer Engels, één druppel per dag. Echte woorden, echte zinnen, twee minuten per dag.